<Josha Zwaan, auteur en schrijfdocent


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verhalen

Al dood
Het trappenhuis ruikt muf. Vergeefs druk ik op de knop voor het licht. Het vage schemerlicht dat vanuit het raampje op de overloop naar binnen valt, krijgt geen bijval van de verwachte honderd Watt. Ik baan mij op de tast een weg tussen de fietsen die aan weerszijden van het halletje geparkeerd staan. Mijn scheenbeen stoot venijnig  tegen een trapper, als ik mij vooroverbuig om over de schrijnende schaafplek te wrijven prikt er een uitstekend deel van een hangslot in mijn oog.
Met een hand tegen mijn oog, de andere op de plakkerige leuning, bestijg ik de trappen. Ik adem het stof in, de zurige geur van het vuil dat in zakken op elke verdieping staat dringt in mijn neus. Een zucht stijgt omhoog via mijn flanken naar mijn keel. Ik ben thuis. Er is niets veranderd.
De sleutel die ik in het slot steek lijkt niet te passen. Ik wrik hem een paar keer heen en weer, mijn hart bonkt tegen mijn ribben. Zou ze dan toch…? Opeens weet ik weer dat de sleutel de andere kant opdraait, de onlogische.
Ik duw de deur met een zwaai open. Bijna roep ik: ‘Daar ben ik weer,’ het huis zou moeten juichen, versierd zijn, taart op tafel. Stilte slaat me tegemoet. Ik verwacht de geordende leegte die ik achterliet, nette stapels boeken langs de muur, paperassen in het bakje op het bureau, het lege aanrecht, keurig afgenomen met een vochtig doekje na het laatste eenpersoonsafwasje. Mijn ogen schieten heen en weer tussen de opengeslagen krant, de sigarettenpeuken op de vloer, rode lipstick op elke filter, een wijnglas op het aanrecht, dezelfde lipstick vettig aan de rand, en een afdruk van een hand op de muur. De hand zwaait naar mij, toch een welkom. Of een afscheid? Het is een goorgrijze afdruk, de vingers gespreid op het moment dat ze de muur raakten, een remspoor van nagels daarna, schrapend op weg naar de grond. Automatisch kijk ik naar de vloer alsof de hand daar nog zou kunnen liggen, met of zonder eigenaar. De vloer is leeg zoals ik hem achtergelaten had, de laag stof valt mee, te weinig voor het aantal maanden dat het de kans heeft gehad om neer te dwarrelen. De krant die ik uit mijn ooghoek heb zien liggen ritselt. In een reflex gooi ik mijn schoen naar de tafel. Een muis schiet onder de krant vandaan en volgt de  mij bekende route naar de ruimte onder het aanrechtkastje. Hoe lang vindt een muis nog eten in een leeg huis? Ik open de ramen van de woonkamers en de slaapkamer. Het bed is keurig opgemaakt. Haar pyjama, ligt opgevouwen op het hoofdkussen. Wie draagt er nou nog een pyjama? Als ik geweten had dat die hier lag…. Beter dan die rare jurk die ze haar aangetrokken hadden….
Het balkon staat vol lege wijnflessen die ik daar niet achtergelaten heb. Ze moet een sleutel gehad hebben. Heb ik die haar ooit gegeven? Wist ze dat ik weggegaan was? Of heeft ze hier op me gewacht? En toen ik niet kwam, na dagen, weken, maanden….
Het geluid dreunt door mijn hele lichaam, de balkonleuning trilt onder mijn handen. Het kippenvel op mijn huid gaat aan de herkenning vooraf. De klok in de toren van de kerk waar mijn huis tegen leunt heet me met zijn laagste stem welkom. Mijn trouwe wachter. Hoeveel dagen heeft hij hier ook over haar gewaakt? Ik stap terug de keuken in, plens met mijn handen water in mijn gezicht. Ik schop tegen het kastdeurtje dat altijd openspringt. Mijn voet vindt een opening in plaats van de weerstand van het hout. Op de plaats waar ik altijd schop zit een gat. Dom van haar, je moet wel weten hoe hard je schoppen kan tegen zo´n deurtje. Zou ze ook geschopt hebben toen ze…? Ik houd mijn polsen onder de kraan. Ik drink een slok water. Erg koud is het niet. De hand op mijn schouder voelt kouder dan het water dat nog langs mijn gezicht druipt…..

                                                                  *  

Vanwege Lena had ik mijn huis verlaten. ‘Ik ga een tijdje reizen.’ Meer had ik niet gezegd, tegen mijn werkgever, tegen collega’s, tegen vrienden. Tegen Lena had ik niets gezegd. Wat ik reizen noemde was een vlucht. Weg van haar. Weg van de put van ellende waar ze me steeds weer in mee trok.
Ik vermoedde wel dat ze me zou zoeken, mijn voordeur zou openen, een tijdje wonen in mijn huis. Zelf als ze geen sleutel meer gehad had zou ze wel een weg vinden om binnen te komen. Ze kende alle trucs om deuren te openen. Met sleutels, met smoezen of met haar lichaam. Ze stal alles van iedereen. Mijn jeugd had ze gestolen. Ze nam mijn buik in bezit terwijl ik jong en mooi was. Mijn huid rekte ze uit, mijn vrolijke leven vulde ze met haar gehuil. Ze nam me mijn slaap af, mijn tijd en mijn vrijheid. En hoe ouder ze werd hoe meer ze me mijn zorgeloosheid ontnam. Haar ondermaatse cijfers, haar brutaliteiten tegenover de leraren. Ging ze wel naar school, waar hing ze uit, met wie ging ze om? De zorgen groeiden, mijn slaap werd mij opnieuw ontstolen. De nachten dat ze niet thuis kwam lag ik wakker, haar vervloekend en toch zo bang dat zij mij afgenomen zou worden. Door drank, door drugs, door geweld. Het was zo voorspelbaar dat toen het dan ook echt gebeurde, het gevoel van opluchting vele malen groter was dan het verdriet.
Mijn huis was al jaren haar huis niet meer. Ze leefde met vrienden of op straat. Als ze langs kwam verdween er altijd iets. Hoe goed ik ook oplette, ze vertrok nooit zonder buit. Ik leerde er mee leven. Soms legde ik expres iets voor het grijpen, zodat ze wat echt waardevol was niet zou nemen. Het liet me steeds onverschilliger of ze kwam of niet kwam. Ik had eindelijk weer een eigen leven. En een nieuwe liefde. Jonger dan ik, maar veel te oud voor haar.
Juist toen verscheen ze weer. Alsof ze rook dat er iets te halen was. Een grote buit deze keer. Ze was geboren als parasiet en dat zou ze altijd blijven. Ik zag het op het moment dat hij haar de hand schudde. Ze knipperde met haar ogen, het leven dat ze leidde had haar schoonheid nog niet verwoest. Een rilling liep over mijn rug toen ik zag hoe zijn ogen begonnen te glinsteren. ‘Ze is gevaarlijk,’ wilde ik roepen, maar het was al te laat. Met een afwezige blik lag hij die avond in mijn armen. Voor de laatste keer. Weken hoorde ik niets van hem. Toen stuurde zij een ansichtkaart uit Maastricht. Met liefs, ook van hem.
Hij zou het vast niet lang met haar uithouden. Daarna zou ze weer verschijnen, mij aanspreken met mamma, mij vragen haar te vergeven, te helpen. Ze zou zoals altijd beloven haar leven te beteren. Het zou haar zoals altijd niet lukken. Ik wachtte dat moment niet af. Ik sloeg op de vlucht.

*

Het was een wonder dat ze me hadden weten te vinden. Ik reisde al maanden, zonder plan, zonder doel. Af en toe stuurde ik een bericht naar deze of gene. Nooit naar haar. Soms las ik weken geen mail. Die ene dag wel. Of ik naar Maastricht kon komen. Er was een vrouw gevonden. Vermoedelijk met geweld om het leven gebracht. Het zou mijn dochter kunnen zijn. Wilde ik komen om haar te identificeren?

Nog nooit had ik een dode gezien. Aarzelend liep ik achter de agent aan. Het was een vriendelijke man. Iedereen had aardig gedaan sinds ik mijn mail gelezen had. De receptionist van het hotel toen ik uitlegde waarom ik opeens uitcheckte, het luchthavenpersoneel dat mijn ticket omwisselde, de taxichauffeur, deze agent die mij naar de koelcel begeleidde. Eindelijk kreeg ik iets terug voor mijn jaren van inspanning. Nu was alle aandacht voor mij.
Er was iemand van slachtofferhulp geweest om mij te ontvangen. Samen met de agent had ze voorzichtig gezegd dat identificatie best lastig zou zijn. Ik had haar niet begrijpend aangestaard. Toen zei ze het: ‘Haar hoofd is stuk geslagen.’
‘Hoe weten jullie dan..?’ Ik kon mij er geen voorstelling bij maken.
Ze lieten mij haar identiteitsbewijs zien, een armband, een ring.
‘Ja, die zijn geloof ik wel van haar.’
‘Heeft ze kenmerken op haar lichaam die u zou herkennen?’
Ik schoot in de lach. Hoe lang was het niet geleden dat ik haar luiers verschoonde, haar waste en aankleedde. Wanneer kocht ik haar kleren nog, wist ik haar maat?
‘Ze heeft een moedervlek ergens op haar buik,’ wist ik vaag.
‘Laten we maar gaan,’ zei de agent. Hij wilde er vanaf zijn. Ik ook.
Ik staarde naar het lichaam onder het laken. Automatisch keek ik naar het gedeelte waar haar hoofd moest zijn. Het laken vertoonde slechts een kleine hobbel voorbij de plaats van de hals. Snel keek ik naar beneden. Een vrouw in een groene jas schoof met een haast teder gebaar het laken weg. Twee kleine voeten met rood gelakte nagels kwamen tevoorschijn. Magere benen, een blauwe plek op een dij. Kende ik dit lichaam? Had ik haar ooit nog naakt gezien na haar dertiende? Toen ze de mogelijkheden van haar seksualiteit ontdekt had, was ze begonnen haar lichaam voor mij te verstoppen. Ik had geen idee hoe haar borsten zich ontwikkeld hadden, welke maat ze was gaan dragen. Ik had geen idee dat ze zo mager was geworden. Hoe kon ik zien of dit mijn dochter was? Ik realiseerde me dat ik naar de buik moest kijken. Het naakte lichaam leek zo ontzettend bloot. Kwam het omdat ze zo zorgvuldig onthaard was? Geen haartje viel er te ontdekken. Niet op haar benen, niet rondom haar schoot. Haar venusheuvel stak kaal en bleek omhoog, de buik vormde een kuiltje vanaf die plek. Ik zag een piercing in haar navel. Sinds wanneer had ze die? Best mooi eigenlijk. Mijn ogen zochten naar moedervlekken. Ik had geen idee waar die grote ook alweer zat. Links van haar zij, zag ik een bruine vlek, rechts boven haar been zag ik er nog één, en daar bij de navel, was dat ook een moedervlek? De armen lagen recht langs het lichaam. Haar vuisten waren gebald.
‘Ze heeft gevochten voor haar leven,’ fluisterde de agent.
‘Ik denk dat ze het wel is.’ Mijn stem klonk kalm. ‘Wanneer kan ik haar begraven?’

Ik vond het een hele gebeurtenis, zo’n begrafenis. Mijn organisatorisch talent kwam me goed van pas. Binnen drie dagen had ik alles geregeld. Ik had er echt plezier in. Ik had geen idee wie ik uit moest nodigen, maar een advertentie in de gratis kranten deed wonderen. En zo zag ik haar vrienden van de straat aan mij voorbij trekken. Niemand leek te weten wat er precies gebeurd was. De politie was ook nog niet veel wijzer. Ze was gevonden in een steeg. Haar schedel was ingeslagen. Ze was niet beroofd en ook niet verkracht. Wel waren er sporen van een gevecht. Ze had zich duidelijk verzet.
Toen kon ik eindelijk terug naar Amsterdam. Aan mijn vlucht was een einde gekomen. Ik verlangde naar mijn woning, mijn bed, het geluid van de kerkklok, het koeren van de duiven onder mijn raam.

*   

Ik gil niet als ik haar hand voel. Een grenzeloze moeheid maakt zich van mij meester terwijl ik besef dat zij het is. Dat ze hier woont, dat ze op mij gewacht heeft. Alles zal opnieuw beginnen, doorgaan. Het is nooit opgehouden.
Ik draai me om en kijk haar aan. Haar ogen glinsteren.
‘Cool dat je niet eens schrikt.’ Ik hoor waardering in haar stem.
‘Wat is er gebeurd,’ vraag ik. ‘Waarom laat je iedereen denken dat je dood bent?’
‘Dat kwam me wel goed uit.’ Ze grijnst en duwt hard tegen mijn schouder. ‘Het kwam jou ook goed uit geloof ik.’
Ik kan het niet ontkennen.
‘Je kunt hier niet blijven. Ik ben nu weer hier, ik woon hier, jij moet weg. Het maakt me niet uit hoe je dit op gaat lossen.’ Mijn stem trilt. Ik voel dat ze niet van plan is om te gaan.
‘Inderdaad,’sist ze. ‘Er is hier maar plaats voor één van ons twee.’
Opeens weet ik dat ik steeds maar één hand van haar gezien heb. Het mes in de andere schiet tevoorschijn. Ze heeft op me gewacht.
‘Dat zou ik maar niet doen. Ze zullen je heel lang opsluiten.’
Ze lacht hoog en schel. Haar ene hand trekt me aan mijn haar naar zich toe. Haar andere hand brengt het mes naar mijn keel.
‘Ik ben dood, weet je nog,’ fluistert ze. ‘Niemand zal me zoeken. Eindelijk zal ik van je af zijn.’ Even sluiten haar ogen zich, een verrukte glimlach glijdt over haar gezicht.
Ik ruk het mes uit haar hand, smijt het door de keukendeur naar buiten. Het stuitert via de balkonreling naar beneden, ik hoor het vallen op de binnenplaats.
‘Teef,’ gilt ze. Haar magere armen graaien naar mijn hals. Eindelijk moet ze boeten voor haar ongezonde leven. Ik ben veel sterker. Mijn ene arm grijpt haar twee dunne polsen, ik klem ze vast boven haar piercingloze navel. Mijn andere hand sluit zich om haar hals. Haar ogen gaan wijd open. Vol ongeloof staart ze me aan. Heel even gun ik haar nog lucht.
‘Ze zullen je heel lang opsluiten,’ herhaalt ze schor mijn tekst van daarnet.
Het kraakt een beetje als mijn vingers met steeds meer kracht samenknijpen.
Dan herhaal ik de hare: ‘Je bent dood, weet je nog.’

December 2008

 
 

Andere verhalen: Bramenjam of Klaprozenfeest