Verhalen

Bramenjam
Alles was rood.
Moeders handen bewogen snel. Vaardig ontdeed ze de bramen van takjes en restjes van het steeltje. Bij het plukken moest je draaien, dan lieten de rijpe bramen vanzelf los, maar soms ging het fout. Af en toe zat er een slak tussen de vruchten. Dan deinsde ze terug en moest hij het beestje dood maken.
‘Waarom dood?’
‘Slakken zijn vies. Ze plakken aan je handen en ze smaken afschuwelijk.’
‘We eten ze toch niet?’
‘Vroeger wel. Er was niets anders.’
De binnenkant van de emmer met bramen was rood verkleurd. Moeders handen waren rood, op haar polsen verkleurde het sap tot paars. De pan waarin de bramen gekookt werden leek gevuld met een bloederige massa. Zou de binnenkant van je buik er zo uitzien? Zijn moeder veegde met één hand een haarlok uit haar gezicht. Rode strepen liepen over haar wang. Hij lachte. Ze keek op en tikte met haar vinger op zijn neus.
‘Zo, nu ben jij een clown.’
Hij keek naar haar mond, de lippen die opkrulden tot een glimlach die zij zelden liet zien.
Hij mocht de etiketten schrijven. Op elke sticker tekende hij een braam, heel netjes, allemaal kleine rondjes die samen een driehoekige vrucht vormden. Heel precies tekende hij een steeltje. Daarna kleurde hij het plaatje in. De kleur maakte de vrucht herkenbaar. Hij vond het hoopje rondjes eigenlijk op kikkerdril lijken. Dat ergerde hem. Bramenjam, augustus 1960 schreef hij op.
‘Zo meteen eten we een boterham met warme jam,’ zei moeder.
Na vandaag zouden ze de potten van vorig jaar leegeten. Eten gooide je niet weg. Nooit.
Toen vader nog leefde aten ze eerst de verse jam. Maar vader was dood. Op een dag ging hij naar de wc en kwam niet meer terug. Zo had moeder het verteld toen hij uit school kwam.
‘Ik hoorde hem wel kreunen, maar opeens kon ik dat donkere hok niet in.’ Hij lag in bed terwijl ze het keer op keer aan haar zussen vertelde.
Wekenlang had hij niet meer alleen naar de wc gedurfd.

Nog voor zijn vijfde verjaardag had hij het geheim van de letters ontrafeld. Moeder kon niet goed lezen. ‘Ik heb alleen maar lagere school, jongen.’ Waarom dat zo was vertelde ze niet. Ze begreep niet dat hij zonder hulp van school zichzelf lezen had geleerd. Hij begreep niet dat ze het nog steeds niet goed kon.
Hij tekende een molen. De kap was het moeilijkst. Ze waren met de klas naar een poldermolen geweest, op de weg tussen Schermerhorn en Stompetoren. Het was een eind fietsen. Zijn klasgenoten vonden een molen saai, maar hij was keer op keer naar boven geklommen om te zien hoe alles werkte, hoe de kap kon draaien op het onderstuk, hoe de wieken in beweging kwamen en vervolgens het draaimechaniek en de molenstenen in werking zetten.
Hij tekende met een kroontjespen en zwarte inkt. Zo werd het het mooist. Moeder kwam even naast hem staan, de verbaasde blik van elke dag in haar ogen. ‘Moeilijk?’
‘Heel moeilijk.’
‘Waarom doe je het dan?’ vroeg ze vaak, maar vandaag niet.

Geconcentreerd tuurde hij naar de Latijnse teksten in zijn boek. Hij hield van het vertalen. Zijn moeder boog zich over hem heen. Haar vinger gleed over een zin. Concius vobis tanti fascinoris. ‘Wat staat daar?’ Ze wees een woord aan.
‘Conscius. Het betekent medeplichtig zijn aan iets.’
‘Medeplichtig.’ Ze leek het woord te proeven. ‘Zoiets als dat het ook jouw schuld is?’
‘Zoiets ja.’ Hij bladerde in zijn woordenboek op zoek naar andere woorden. Zijn moeder ging verder met het strijken van de was. Hij werd zich bewust van een verandering in het geluid van het ijzer over de lakens. De strijkbout werd over het katoen geboend alsof er een vlek zat, alsof er iets moest verdwijnen.
‘Medeplichtig,’ fluisterde zijn moeder. ‘Eigen schuld, zeiden ze.’

Hij studeerde cum laude af. Hij nodigde zijn moeder niet uit bij de plechtigheid. Ze zou de speeches niet begrijpen. Ze zou de verkeerde jurk aantrekken. Ze zou rare dingen tegen zijn vrienden zeggen.
Hij ging bij haar langs om zijn bul te laten zien. Ze was grijs geworden, haar ogen stonden nog verbaasder dan de vorige keer. Hij rekende uit dat hij haar dertien maanden niet had gezien. Te druk met studeren en met het verenigingsleven. Voor het eerst viel het hem op dat ze in de war was. ‘Wat fijn hè, dat je je eindexamen gehaald heb. Nu kun je gaan studeren in de grote stad.’
‘Maar dat doe ik toch al jaren moeder?’
‘Weet je al dat de buurvrouw gestorven is? Ongezellig hoor, dat ze weg is.’

Hij kuste haar op haar voorhoofd. Ze keek niet op. Er waren dagen dat ze niet sprak, zeiden de zusters. Er waren dagen waarop ze huilde en bang was. Er waren dagen dat ze alle eten verzamelde en verstopte.
‘Wat voor jeugd heeft uw moeder gehad?’ Eén van de verzorgsters was erg op zijn moeder gesteld. Ze keek hem doordringend aan. ‘Ze lijkt zo bang. Weet u misschien waarvoor?’
‘Het spijt me, ze wilde er nooit over praten.’

Toen hij haar een kus wilde geven deinsde ze terug.
‘Niet weer, niet weer, ik wil het niet meer.’
‘Moeder, wat zie je, waar ben je?’ Hij schudde zacht aan haar arm.
‘Ze ligt op haar knieën in de zon, de Jap heeft een bamboestok in moeders knieholtes gelegd. Het doet pijn, haar rug trilt. Ik zie het, maar ik mag er niet naar toe. Dan moet ik mee. Hij is klein, hij heeft de kleinste ogen van alle Jappen die ik ken. In het hok moet ik. De hele nacht. Als het donker is komt hij bij me. Ik weet niet wat hij doet, het doet pijn. Ik huil om moeder, maar hij houdt zijn hand voor mijn mond. Later ben ik alleen. Als het licht wordt mag ik eruit. De binnenkant van mijn dijen plakt. Ik kijk naar mijn benen.
Alles is rood.’

September 2009

 
 

Andere verhalen: Al dood of Klaprozenfeest