Verhalen

Klaprozenfeest
Het station lag buiten de bebouwde kom. De naam van het plaatsje was door de conducteur omgeroepen, maar meer dan een paar klanken had ze niet verstaan. Ze stapte uit de trein en keek naar de lege parkeerplaats, de vervallen fietsenstalling, het halve bosje overgaand in een onduidelijk bedrijventerrein, een omgevallen boom hangend op een verroest hek.
Op het perron lag het wrak van een fiets, het voorwiel dubbel gebogen, geen achterwiel, geen trappers. Ze voelde een vreemd soort verwantschap met het fietsengeraamte. Ze liet ze zich naast het wrak op de grond zakken en brak zich in kleermakerszit het hoofd  over de vraag wat ze hier kwam doen.
Haar blik gleed omhoog naar de slordige boompartij tegenover het perron, overbevolkt door honderden schreeuwende roeken. Hun agressieve gekras deed pijn aan haar oren. Krijsend vlogen ze af en aan tussen de bomen. Grote, rommelige nesten waren, zonder plan, kriskras neergegooid tussen de takken. Ze hoorde de vogels schreeuwen. De stemmen in haar hoofd leken het gekrijs te imiteren, gaven woorden aan de klanken. Struikelend stond ze op, klampte zich even vast aan het fietswrak, schopte er toen tegen, in machteloze woede dat ze zich haar plan niet kon herinneren.
Doelloos begon ze te lopen. Eerst naast het spoor, toen op het spoor. Stap, biels, stap, biels. Een cadans vulde haar hoofd en haar lijf. Een ritme van lopen, stappen, bielzen. Strepen voor haar ogen, langgerekte rails en korte zwarte balken, bielzen, stappen, vermengd met slagen, bonzen. Bezwerend, kalmerend, berustend. Haar lichaam gaf mee met de weg van de rails. Ook de stemmen gaven mee.  Zoals de roeken elkaar schreeuwend hun predestinatie vertelden, zo schreven de bielzen haar de richting voor. Blijven lopen, stap voor stap.
Waar had ze dat toch gezien? Rails die omhoog liepen, afgebogen op weg naar de hemel, eindigend in het niets. Hier, één wordend met het ritme van de rails leek het haar volstrekt logisch dat de rails straks af zouden buigen, omhoog, de hemel in. En dat ze die weg zou kunnen volgen, móest volgen.
Haar blik, tot nu toe strak gefixeerd op de bielzen, ving plotseling iets roods. Naast de rails zag ze een explosie van klaprozen, uitbundig bloeiend. Ze plukte en plukte tot ze bedolven werd onder de rode bloemen. Ze propte ze in haar rugzak, de zakken van haar jas, de randen van haar laarzen, haar mouwen, haar hals. Ze voelde de blaadjes, ze rook de scherpe geur van de papavers. Bedwelmend. Ze werd de klaprozen.

De machinist van de stoptrein prees zich vaak gelukkig dat hij op dit traject in het oosten van het land mocht rijden. Een goede dienstregeling en weinig vertraging sinds de scheiding van het grote moederbedrijf.  Een comfortabele nieuwe diesel. En bovenal: geen wanhopige gekken die het nodig vonden zich voor de wielen van zijn trein te werpen en voorgoed zijn dromen te vergallen. Eén keer was het hem gebeurd: de nachtmerrie van iedere machinist. Toen reed hij nog door heel Nederland. Met alle ellende van dien. Maar vooral de nachtmerrie. Het idee dat het altijd kon gebeuren.
Hier in het oosten van het land was het anders. Meer natuur, minder stress. Dat had zijn weerslag op het gemoed van de mensen. Sinds hij hier woonde en werkte begreep hij dat.
Na het kleine station met de roekenkolonie reed hij genietend door het groene landschap. In de verte wachtte hem een erehaag van klaprozen. Hij verbaasde zich over de onbeschaamde hoeveelheid. Het leek of er zakken vol zaad uitgestrooid waren, keurig verspreid langs de rails.
De trein helde een beetje in de bocht. Plotseling bevond het klaprozenfeest zich niet naast maar óp de rails. Zijn reflex tot remmen was al in werking getreden. De adrenaline raasde door zijn bloed. Het rood van de klaprozen langs de rails vermengde zich met het rode waas voor zijn ogen.  Hij wilde niet schreeuwen, hij wilde zijn ogen niet sluiten. Hij wilde de tijd terugdraaien, de trein achteruit laten rijden, vertraging oplopen, een defect creëren. Maar de trein stormde al remmend voort, zachter maar nog veel te hard voor een mensenlichaam om de confrontatie  met staal en wielen te kunnen doorstaan.  Met zijn handen voor het gezicht, gluurde hij door zijn vingers. Hij zag de rode massa dichterbij komen, berekende de seconden, de meters die er nog restten. Rode flarden, materie, strepen, spatten tegen zijn ramen, drongen door tot zijn bijna gesloten ogen, drongen door tot zijn hersenen. Maakten dat alsnog de schreeuw uit zijn keel en borst opsteeg. Hij brulde en snikte. Hij zweeg. Stil stond de trein.

Ze keek naar de trein die uit het niets opgedoken was en nu naast haar stil stond. De zuiging van het voertuig had het merendeel van de klaprozen uit haar armen gerukt, ze verwaaiend in de luchtstroom, ze vermalend tussen de wielen, te pletter slaand tegen het glas.
In een reflex had ze één stap achteruit gedaan. Geen gedachte was er aan vooraf gegaan. Geen stem in haar hoofd die een opdracht gegeven had.  Ze keek naar de trein, verwachtend dat niet zij maar de trein nu op zou stijgen, via rails die naar de hemel leidden. De trein staarde haar aan. Uithijgend, kreunend, in dit uitgestrekte niemandsland.
Ze haalde haar schouders op, raapte wat losse klaprozen bij elkaar, draaide zich om en slenterde achteloos weg van de rails, dook onder prikkeldraad door en vond een wandelpad. Verheugd herinnerde ze zich haar plan van die dag. Een wandeltocht van station tot station. Hoe ver zou ze al zijn?

April 2009

 
 

Andere verhalen: Al dood of Bramenjam